<< home

 

 

 One million years – over Be Coming van Cornelia Bruinewoud
Introductie bij een alles verhullende onthulling
Miet Air, dinsdag 6 oktober 2015

Een man en een vrouw zitten op een stoel in een glazen hok dat in een grote hal met marmeren vloer en pilaren is opgesteld. Het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Vóór hen op tafel ligt een dik boek waaruit ze rustig voorlezen. Om en om. Ze sommen op: two-hundred-five-thousand-three-hundred-twenty-one; two-hundred-five-thousand-three-hundred-twenty-two.
              
In de hal van het verbouwde Stedelijk Museum van Amsterdam boven aan de natuurstenen trap waar ooit de boekenwinkel was en nu koffie wordt gedronken, staat een tafel. Een man en een vrouw lezen voor. Zij gebruiken een liniaal om aan te geven aan waar ze zijn:  two-hundred-five-thousand-three-hundred-twenty-three.
               In de derde scene zitten een man en een vrouw in een ander glazen hok. Het staat op de trap vóór een historisch gebouw in Parijs.
Zij tellen: two-thousand-one-hundred-six bc.; two-thousand-one-hundred- seven b.c.
Het geluid wordt versterkt. De camera tast de omgeving af. Je ziet de pilaren van het gebouw en het timpaan waarin de woorden BOTANIQUE en GEOLOGIE in steen zijn uitgehouwen.

Met deze drie voorbeelden beschrijf ik de performance “One Million Years” van de Japanse kunstenaar On Kawara. Het werk bestaat uit een reeks dikke boeken met cijfers die één miljoen jaar terug en één miljoen jaar vooruit tellen, gemeten vanaf het moment in 1969 toen het werk werd bedacht. Het effect van de opsomming is bijzonder. Je ervaart het verstrijken van de tijd, dat als het ware het materiaal is waarmee On Kawara kunst maakt.

Tijd is ook het centrale thema in werk van Cornelia Bruinewoud. Het verstrijken van tijd wel te verstaan, een proces dat ze op veel verschillende manieren zichtbaar maakt. In haar foto’s  tekeningen en schilderijen, in haar installaties, performances en films. Om de tijd te verbeelden gebruikt ze contrasten tussen beweging en stilstand, water en steen. Ze focust op het oppervlak van een rotswand, laat mensen stilstaan en zien, of ze stelt, zoals vandaag, een reeks complexe vragen.

Waar is Cornelia Bruinewoud op uit? In deze introductie zal ik proberen om uit te leggen, hoe je het werk van Cornelia Bruinewoud kunt lezen. Het is mijn bijdrage aan de discussie over tijd en kunst die ze met het werk “Be Coming” wil oproepen. Ik heb geen sluitend antwoord op de vragen die zij stelt, enkel een suggestie van de manier waarop je naar haar werk zou kunnen kijken. 

Tijd - verschillende perspectieven
Tijd is rekbaar, plooibaar en als je wilt beschrijven wat het eigenlijk is kan je een verschillende kanten op. Je kunt tijd zien als iets dat buiten de mens om bestaat als een natuurkundig verschijnsel. Maar je kunt tijd ook vanuit een menselijk perspectief, vanuit het  bewustzijn beschouwen en op de ervaring reflecteren. 

Het wetenschappelijk perspectief werd in grote lijnen door Aristoteles beschreven en gaat over verhoudingen. Tijd is dan een beweging die wordt waargenomen tussen twee aangegeven momenten. Het is een fysiek en natuurkundig gegeven dat een rol speelt bij processen. De menselijke beleving van tijd daarentegen is subjectief, dat beweerde althans de Oostenrijkse filosoof  Edmund Husserl (1859-1938) aan het begin van de vorige eeuw. Hij beschreef heel zorgvuldig hoe we  tijd waar kunnen nemen, hoe we tijd eigenlijk met ons bewustzijn dat uit herinneringen en het vermogen tot patroonherkenning vormen. Ik ga zijn precieze fenomenologische beschouwingen niet uitleggen of herhalen, daarvoor is te weinig tijd. Ik wou alleen even de twee belangrijkste twintigste-eeuwse uitgangspunten naast elkaar zetten omdat zij het hedendaagse spectrum van het denken over tijd bepalen. 

Naast deze wetenschapsfilosofische begrippen staan praktische opvattingen van tijd, zoals de klok- en kalendertijd die op meet- en ordeningsprincipes gebaseerd zijn.

Volgens de Franse filosoof Paul Ricoeur (1913-2005) is er ook sprake van een tijdsbesef dat aan de hand van een weefsel van verhalen en conventies vorm krijgt. Volgens de filosoof en taalkundige Wouter Kusters die de relatie tussen filosofie en waanzin beschreef, kan je in zijn geval spreken over een ‘menselijke’ tijd. Zij heeft alles te maken heeft met ons besef van geschiedenis en identiteit. Volgens Kusters is er zelfs sprake van zoiets als de tijd van de waanzin. In het voorwoord van zijn boek “Filosofie van de Waanzin” beschrijft hij de waanzin als: “De uitdrukking van het verlangen naar oneindigheid in een wereld die zichzelf als eindig definieert.”

Tijd in het werk van Cornelia Bruinewoud
Uit de korte omschrijvingen blijkt dat tijd een veelzijdig onderwerp is, waarin verschillende opvattingen naast elkaar staan. Zij worden ook vaak gecombineerd. Aan de hand van een beschrijving van enkele werken van Cornelia Bruinewoud wil ik laten zien voor welke optie zij als kunstenaar kiest. 

Ik begin bij de performance “Altijd/Allways” uit 2003, een werk dat zij met studenten van de Universiteit van Nijmegen maakte en dat op film werd vastgelegd. Een groep jonge mensen legt een voor één voor één een dikke kei neer op een ronde plaat. In het midden van de plaat is het woord ALLWAYS gestanst.
               Het landschap leek eeuwig” uit 2004 is een drieluik, waarin een oude foto van twee vrouwen centraal staat. Ze halen op het laatste nippertje wat spullen uit een dorp dat straks onder water komt te staan. Is het schokland? De geschiedenis van dit eiland werd recent vermeld in het boek “De Nieuwe Mens” van Auke van der Woud. Het moment dat op de foto werd vastgelegd is bizar. Wie verwacht er nou dat zijn of haar woonplaats onder water zal verdwijnen?
               En dan twee werken die tot mijn favorieten behoren, de twee versies van “Wachten op de Bergen”. Het eerste werk,  een carré van rechthoekige bakjes die met water zijn gevuld en waarin stenen rusten werd in 2009 gemaakt. In het tweede werk “Wachten op de bergen – Continuüm” uit 2010 hangen boven de met water en stenen gevulde bakjes gloeilampen aan een lange draad. Zij beschijnen de stenen alsof zij in een broeikamer liggen.

Kortom, wanneer je deze werken beschouwd, merk je dat steen en water de belangrijkste elementen zijn waarmee Bruinewoud werkt. Steen en water zijn materiaal en objecten. De processen die zij inzet zouden stilstand en beweging kunnen zijn. Zij illustreren een tijdsverloop, zeggen iets over tijd. Het water stroomt, verplaatst en vervormt de keien. Ze eroderen. In de werken worden ze opgepakt, ter hand genomen, neergelegd. Soms is er amper van beweging sprake. Het verdampen van water zie je niet. Soms is de stroom het uitgangspunt.
               Voor het werk “Leaves” uit 2005, dat ik ook zeer aantrekkelijk vind, gooide Bruinewoud een houten blad in het water van één van de grote rivieren die vlak bij haar woonplaats stroomt. Ze stapte in een boot en voer het ding met een camera in de hand achterna, een prachtige tocht door Nederland als resultaat. Nederland, deltaland, zee. Cornelia Bruinewoud volgt de rivier ook stroomopwaarts in de richting van de Alpen omhoog.

BOTANIQUE en GEOLOGIE
Als je het werk van Bruinewoud bekijkt geven steen en water het tijdsverloop vorm. Ze verwijst ermee naar geografische en andere natuurlijke processen. Dat wijst erop dat haar visie op tijd in de richting van Artistoles gaat. Tijd is voor haar in eerste instantie een wetenschappelijk verschijnsel, buiten mensen om. Niet voor niets geeft zij aan dat zij bij de research voor haar werk vaak met verschillende wetenschappers spreekt.

Maar bij deze visie op tijd stopt het niet. De manier waarop ze de materie gebruikt evoceert immers een reeks aan betekenissen.  De keien en kiezels verwijzen ook naar de bergen die elders liggen en stroomopwaarts te bereiken zijn. Er voltrekken zich processen, er is iets in wording, de tijd verglijd. Dat roept het beeld van landschap, van aardlagen op, van trage processen en ontwikkelingen, van geologie en evolutieleer. BOTANIQUE en GEOLOGIE staat op het timpaan van het gebouw in Parijs geschreven “One Million Years” werd voorgedragen.

De wetenschappelijke opvatting van tijd komt dus niet alleen, maar wordt door verhalen gedragen. Zo kom ik weer uit bij de opvatting van tijd van Paul Ricoeur. De manier waarop hij tijd aan verhalen en conventies verbind is voor een kunstbeschouwer zeer aantrekkelijk. Niet alleen omdat het over mythen en verhalen gaat, en kunst op zich, maar vooral omdat hij de tijd niet alleen vanuit de individuele beleving beschrijft, maar er de ander bij betrekt. [[1]] Het perspectief van Ricoeur is dat van de groep. Het maakt bovendien een synthese mogelijk van de opvattingen van tijd. Tot op zekere hoogte wordt immers vanuit ieder verschillend perspectief gewoon een verhaal verteld.

Dus gaat het werk van Cornelia Bruinewoud ook over Darwin, die toen hij begon bovenal geïnteresseerd was in de geologie. Tijdens zijn de tocht met de Beagle was hij belast met het geologische onderzoek van de Zuid-Amerikaanse kuststroken. En het gaat ook over de fossielen die in de aardlagen verborgen liggen. Dat er in eerdere tijden dieren hadden bestaan die wij niet kenden en uitgestorven waren was in Darwins tijd algemeen bekend. Er waren al vele fossielen van uitgestorven beesten gevonden. Alleen het waarom van de verandering van die dieren bleef een vraag.

Ik zeg niet het werk van Cornelia Bruinewoud expliciet over deze geschiedenis gaat. Ik wil alleen laten zien dat door de verhalen die we vertellen, deze referenties aanwezig zijn. En meer. De aardlagen verwijzen ook naar de Klassieken en de archeologie, naar vele zaken die met liefde zijn gemaakt en onder de grond verdwenen. Naar beelden die worden opgegraven en zaden die ontkiemen.

Creativiteit
Heel langzaam kom ik aan bij het werk dat hier gepresenteerd wordt, bij “Be Coming”. Hoezeer je betekenissen ook verstopt. Ze komen altijd boven en werk dat ooit gemaakt werd gaat veel minder makkelijk verloren dan gedacht. Via het denken over natuurlijke wordingsprocessen, kom ik uit bij het maakproces en creativiteit, via creativiteit kom ik uit op metamorfosen. Niet in de huidige biologische betekenis, maar in de betekenis zoals het woord onder ander door Ovidius wordt gebruikt. 

De Romeinse schrijver Ovidius begint zijn epos “Metamorphosen” als volgt: 

 

Ik wil gaan spreken van gedaanten die in nieuwe werden
veranderd. Goden leen mijn werk uw adem, want ook u
deed mee aan die veranderingen. Leidt ononderbroken
mijn lied vanaf het eerste werelduur tot aan mijn tijd.

 

Voordat er zee of land was en een lucht die alles toedekt,
bestond er slechts één aanschijn der natuur in dit heelal.
Men sprak van chaos, een primaire ongevormde massa,
niet anders dan een bonk gewicht, een samenraapsel van
slordige kiemen van niet goed gecombineerde dingen.
[ [2]]

 

Is het niet bijzonder hoe hedendaags de woorden ‘chaos’ en ‘ongevormde massa’ nu even klinken? “Be Coming”. Ik wil hiermee niet zeggen dat Ovidius de moderne wetenschap al voorzag. Ik wil alleen de kracht van onze gezamenlijke verhalen laten zien. Hoe deze houvast bieden bij onze opvatting van tijd. ‘Slordige kiemen van niet goed gecombineerde dingen, die geordend worden’, de kunst is een ordenend principe. Natuurlijk kon Ovidius de oerknal niet voorzien, maar wij kunnen vanuit onze tijd zijn chaos moeilijk ander interpreteren.

Ontmoetingskunst
Het werk van Cornelia Bruinewoud is kortom vol referenties. Naar andere kunstwerken zoals dat van On Kawara, maar ook naar landschapskunst zoals de prachtige natuurwerken van Richard Long. Het valt er niet mee samen. Dezelfde elementen worden meestal heel anders gebruikt, maar je kunt het werk er ook niet los van zien. Van de geschiedenis zoals in “Het landschap leek eeuwig”, of de literatuur in Wachten op de Bergen”, wat gezien te titel waarschijnlijk ook naar wachten op niets, naar “Wachten op Godot” van de Ierse schrijver Samuel Beckett verwijst.

Maar de betekenis is niet alleen zwaar en existentieel. Het gaat ook over verwachting en wording, waarvoor Cornelia Bruinewoud naar de Duitse idealist Georg Hegel (1770-1831) verwijst.  Een verwachting die een ondeugende kwinkslag heeft. Ze vertelt me tijdens het bezoek op haar atelier: “Toen iemand me vroeg wat ik met Wachten op de Bergen bedoelde, antwoordde ik, nou gewoon, wachten totdat de bergen groeien.” 

Straks een werk verhuld: een concept dat in detail werd uitgevoerd, een echt en werkelijk bestaan kunstwerk is. Als de aarde eroverheen wordt gestrooid is het niet meer te zien. Wat kan zij hiermee bedoelen? Er is een hele reeks verhalen beschikbaar die de betekenis bepalen.
Maar er is meer. De manier waarop Ricoeur over narratieve verbanden spreekt, benadrukt een zekere activiteit van de groep. Zij herhalen de oude vertellingen en maken er nieuwe van. Dus misschien gaat het niet over wat het werk betekend, maar wat deze gezamenlijke gebeurtenis die wij nu meemaken met ons doet.  Wij vormen het weefsel van vertellingen en conventies, weven als we luisteren, weven als we vertellen. Dus is “Be Coming” een werk van het heden en de toekomst, van wat wij zien, wat wij zagen en zijn.  

Zaden vallen op de grond. Dat biedt troost, daar groeit iets uit om met een regel uit de dagboeken van Samuel Becket te eindigen. Hij schrijft aan zijn vriendin en protegé Mania Péron in september 1951 over zijn tuin in de herfst:
"Elke paar minuten klinkt er een plof op de grond, en een grote vrucht valt, die op een en hetzelfde moment groen en verrot is. Dat zegt iets."

 

 



[1] Op internet vond ik een bijzonder interessant artikel van Nel van den Haak, die “Narrativiteit bij Paul Ricoeur en Hannah Arendt” vergelijkt. http://estheticatijdschrift.nl/files/2014/09/Esthetica-2001-5.-Nel-van-den-Haak.pdf

[2] Vertaling, M. D’Hane-scheltema